Oogaandoeningen

  • Scheelzien (Strabisme)

    Scheelzien, ook wel “lui oog” of “wandelend oog” genoemd, is een aandoening waarbij één of beide ogen kunnen afwijken naar binnen, naar buiten, omhoog of omlaag.

    Bij kinderen ouder dan zes maanden kan een wisselend scheelzien voorkomen. Dit kan in sommige gevallen normaal zijn, maar het is belangrijk dat het oogheelkundig onderzocht wordt om eventuele onderliggende problemen uit te sluiten.

    Sommige kinderen worden geboren met scheelzien, terwijl het bij anderen het gevolg kan zijn van een verstoorde spierbalans in de oogspieren.

    Tekenen en symptomen van scheelzien zijn onder andere: een kind dat scheel kijkt, moeite heeft met het inschatten van afstanden en voorwerpen oppakken, één oog dichtknijpt om beter te kunnen zien, of last heeft van duizeligheid.

    Een vroege diagnose van de onderliggende oorzaak is essentieel om blijvend verlies van het gezichtsvermogen te voorkomen. De behandeling van scheelzien kan op verschillende manieren gebeuren: door het afdekken van het sterke oog om het zwakkere oog te stimuleren, het dragen van een bril, gebruik van oogdruppels, oogspieroefeningen of een operatie om de stand van de ogen te corrigeren.

  • Presbyopie

    Presbyopie is een natuurlijk evoluerend proces waarbij het steeds moeilijker wordt om scherp te zien van dichtbij naarmate men ouder wordt.

    Plotseling wordt het lezen van een krant of een menukaart lastig, tenzij men deze op armlengte houdt — vaak met veel moeite en visuele vermoeidheid tot gevolg.

    De ooglens, het zogenaamde kristallijn, werkt als een natuurlijke lens die het mogelijk maakt om scherp te stellen en beelden op het netvlies te projecteren. Vanaf de leeftijd van ongeveer 40 jaar verliest deze lens echter geleidelijk haar soepelheid en flexibiliteit. Ze kan zich niet meer voldoende bollen om goed scherp te stellen op dichtbijgelegen objecten.

    Het resultaat is dat het oog nabije voorwerpen niet meer scherp en duidelijk waarneemt. De beelden worden wazig, omdat de focus achter het netvlies valt. Dit leidt tot toenemende moeilijkheden bij het zien van dichtbij.

  • Astigmatisme

    Iemand met astigmatisme ziet objecten vervormd omdat de lichtstralen slechts gedeeltelijk op het netvlies worden gefocust. Slechts een deel van het beeld wordt op het netvlies geprojecteerd. Astigmatisme kan zich zowel op zichzelf voordoen als in combinatie met bijziendheid (myopie) of verziendheid (hypermetropie).

    Astigmatisme kan gecorrigeerd worden door het hoornvlies aan de meest gebogen kant te vervlakken en/of de vlakste kant te buigen, zodat het hoornvlies perfect rond wordt.

    Deze aandoening kan al vanaf de kindertijd beginnen of zich pas op latere leeftijd ontwikkelen. Een eenvoudige correctie is mogelijk als het de oorzaak is van zichtproblemen. Enkele tekenen en symptomen van astigmatisme kunnen hoofdpijn, vermoeide ogen, moeite met lezen en algemene vermoeidheid zijn.

    Afhankelijk van de ernst kunnen een bril of contactlenzen nodig zijn. Refractieve chirurgie met een laser kan astigmatisme tot 5 dioptrieën corrigeren.

  • Verziendheid (Hypermetropie)

    Verziendheid wordt vaak gekarakteriseerd door een oog dat te “kort” is. Het zicht is dichterbij waziger dan op afstand.

    Het is vaak al vanaf jonge leeftijd aanwezig en kan soms spontaan corrigeren met de groei van het kind.

    Als het aanhoudt tot de volwassenheid, kan de hypermetropie worden gecorrigeerd door de cornea meer gebogen te maken met behulp van een laserbehandeling.

    Hypermetropie kan gecorrigeerd worden met een bril, contactlenzen of refractieve chirurgie, waardoor de projectie van het beeld op het netvlies wordt verplaatst, zodat het zicht scherp wordt.

    Er zijn verschillende tekenen en symptomen, waaronder: een permanente scheelzien of alleen wanneer het kind moe is, wat leidt tot wrijven in de ogen, gebrek aan interesse voor school met een scheve houding bij het schrijven, het kind houdt boeken te dicht bij het gezicht wat leidt tot misselijkheid na het lezen.

  • Chalazion: verstopping van een talgklier in het ooglid

    Een chalazion ontstaat door een ontsteking als gevolg van een verstopping van het afvoerkanaal van een Meibom-klier, gelegen in het bovenste en/of onderste ooglid.

    Dit uit zich als een klein knobbeltje in het ooglid, waarvan de grootte in de loop van enkele dagen kan toenemen. De zwelling kan rood worden, gevoelig of pijnlijk aanvoelen, en soms gepaard gaan met een warmtegevoel ter hoogte van het ooglid.

    Natuurlijk verloop en besmettelijkheid

    In de meeste gevallen verdwijnt een chalazion spontaan binnen enkele weken zonder medische gevolgen. Een chalazion is niet besmettelijk.


    Chalazion of strontje (orgelet)?

    Hoewel zowel een chalazion als een strontje (orgelet) zich uiten als een knobbeltje in het ooglid, zijn het twee verschillende aandoeningen:

    • Een orgelet is een acute infectie van een talgklier en is meestal pijnlijker en ontstoken.
    • Een chalazion daarentegen is geen infectie, maar een steriele ontstekingsreactie van het lichaam op opgehoopte talg.

    Bij een chalazion wordt de olie in de Meibom-klier te dik om normaal af te vloeien. Hierdoor hoopt ze zich op en ontstaat een zwelling. Soms breekt de wand van de klier, waardoor de olie zich verspreidt in het omliggende weefsel. Dit leidt tot een ontstekingsreactie, met mogelijk littekenvorming tot gevolg.


    Behandeling van een chalazion

    De behandeling is meestal eenvoudig en kan bestaan uit:

    • Warme kompressen: 5 à 10 minuten, viermaal per dag, om de zwelling te verminderen en de klier te helpen draineren.
    • Antibiotische oogdruppels of -zalf: indien er tekenen zijn van een bijkomende bacteriële infectie.
    • Cortisone-injectie: in zeldzame gevallen kan een ontstekingsremmer rechtstreeks in het chalazion worden geïnjecteerd om de zwelling te verminderen.
    • Chirurgische verwijdering: als het chalazion lang aanhoudt, hinder veroorzaakt of om cosmetische redenen.

    Bij terugkerende of meerdere chalazions

    Bij frequente of meervoudige chalazions moet worden overwogen of er sprake is van een algemene aandoening van de talgklieren, zoals acné rosacea. In dat geval kan een langdurige behandeling via orale medicatie helpen om de samenstelling van de talg te verbeteren en nieuwe verstoppingen te voorkomen.

  • Amblyopie (Lui oog)

    Amblyopie wordt gekenmerkt door een verminderd gezichtsvermogen in een anatomisch gezond oog, dat er echter niet in slaagt om correcte visuele signalen naar de hersenen te sturen.

    Dit komt doordat het oog en de hersenen tijdens de vroege ontwikkeling niet goed samenwerken. Het oog wordt als het ware “uitgeschakeld” door de hersenen, die de voorkeur geven aan het andere, beter ziende oog.

    Amblyopie is in de meeste gevallen te voorkomen of te corrigeren, op voorwaarde dat de onderliggende oorzaak vóór de leeftijd van zes jaar wordt behandeld. Vroege opsporing en behandeling zijn dus essentieel voor een goede visuele ontwikkeling.

  • Cataracte

    Cataracte

    La cataracte correspond à l’opacification du cristallin (lentille normalement translucide de forte puissance située à l’intérieur de l’œil). Chaque année, 570 000 personnes sont opérées en France. La chirurgie est le seul moyen d’améliorer une vision modifiée par la cataracte. 

    Il n’existe pas d’autres possibilités à l’opération de la cataracte.

    Parce que ni les collyres , ni le laser ne peuvent guérir une cataracte constituée. Dans des cas très évolués, la cataracte peut rendre aveugle. 

    Dans le monde, elle est la première cause de cécité en raison de l’impossibilité du traitement à grande échelle dans les pays du tiers monde. Des dizaines de millions de personnes sont en attente d’être opérés mais malheureusement par manque de moyens humains et financiers une grande partie d’entre eux ne verront plus à cause de leurs cataractes. Pour cause de nombreux voyages humanitaires sont organisés notamment en Afrique.

    L’intervention est définie lorsque l’opacification du cristallin est suffisamment importante, la vision se détériore lentement, souvent en vision de loin avec parfois paradoxalement une amélioration transitoire de la vision de près sans lunettes. 


    L’importance de la gêne n’est pas la même pour tout le monde. La décision d’intervention résulte donc d’un accord commun entre le médecin ophtalmologiste et le patient. Sans opération, la cataracte deviendra plus dense et la vue plus mauvaise et cela peut à terme affecter l’examen du fond d’œil. L’intervention à long terme a un taux actuel de succès qui dépasse les 99,5 %. 

    L’opération :

    L’intervention se déroule le plus souvent sous anesthésie locale par instillation de gouttes anesthésiantes puissantes.

    Une fois l’œil anesthésié,  une micro incision (environ 2,2 mm) est réalisée en extrême périphérie de la cornée. Ensuite, à l’aide d’une sonde à ultrasons, le noyau du cristallin est déstructuré sans endommager la capsule le séparant de la partie postérieure de l’œil (c’est la « phako-émulsification »). Le noyau du cristallin est ensuite retiré pour être remplacé par un implant souple. Celui-ci est inséré plié, puis déplié là où se trouvait le cristallin. Il existe plusieurs types d’implants.

    Actuellement, le laser femtoseconde est utilisé dans l’intervention de la cataracte.

    Il permet une incision précise, une découpe du rhéxis, anneau circulaire au niveau de la capsule antérieure et la découpe du noyau. Il en ressort une grande précision et l’utilisation de moins d’ultrasons. Son intérêt reste encore discuté.

    Dans environ 1 cas sur 3, il y a apparition d’une cataracte secondaire correspondant à une opacification de la capsule postérieure (laissée volontairement lors de l’intervention afin de bien maintenir en place l’implant). Si le patient est gêné par une baisse d’acuité visuel ou une sensation de voile, cette cataracte secondaire est traitée par laser.

    Le traitement est réalisé en consultation après instillation de gouttes pour une dilatation de la pupille. Il est simple, sûr, rapide (moins de 10 secondes en général) et indolore.

  • Dacryocystite

    Une dacryocystite est une inflammation, généralement d’origine infectieuse, d’un sac lacrymal. La dacryocystite se manifeste par un larmoiement continu typique, comme celui que l’on peut connaître lors d’un rhume. Elle survient essentiellement aux âges extrêmes de la vie: chez les nouveau-nés et les personnes âgées de plus de 70 ans. La dacryocystite est liée, chez les personnes âgées, à un rétrécissement des canaux lacrymaux. La baisse d’abondance des larmes entraîne un risque accru d’infection.

    Dans les phases débutantes de l’infection, le traitement consistera en une antibiothérapie joint à une application locale d’un collyre antiseptique. 

    Lorsque l’infection est plus évoluée, un abcès du sac lacrymal peut survenir, on observe alors l’apparition d’une tuméfaction rouge et douloureuse à la commissure des paupière, la maladie justifie dans ce cas une brève hospitalisation. 

    Après de nombreuses récidives et selon la gêne du patient, une dacryo-cysto-rhinostomie peut être effectuée.

    La dacryo-cysto-rhinostomie par voie externe est le traitement des obstacles situés sur le trajet du canal lacrymo-nasal. L’intervention est également réalisée par voie endonasale avec des résultats et des complications similaires, hormis l’absence de cicatrice avec cette technique.

    Elle consiste à court-circuiter l’obstacle en réalisant une stomie entre le sac lacrymal et la paroi externe de la fosse nasale.

    Une anastomose se fera entre le sac lacrymal et la muqueuse des fosses nasales. C’est une intervention préférable à la dacryocystectomie en cas de dacryocystite, parce qu’elle n’entraînera pas un larmoiement permanent pour le patient. L’intervention a un taux de réussite d’environ 90% et fait disparaître tous les symptômes. Elle est cependant plus difficile et plus longue qu’une dacryocystectomie et requiert un matériel et un savoir faire spécifique.

    L’intervention consiste à extraire un morceau de la paroi osseuse entre le sac lacrymal et le méat moyen du nez, puis de suturer la muqueuse du sac à la muqueuse nasale du méat moyen.

  • Xanthelasma

    Le xanthélasma est une pathologie fréquente entraînant une gène esthétique qui ne diminue pas avec les années. Il s’agit d’un xanthome plan palpébral (infiltrat de cellules histiocytaires ou macrophagiques chargées de lipides – cholestérol estérifié) donnant une nappe jaunâtre qui s’étend et fonce progressivement avec les années au niveau de la paupière supérieure ou inférieure.

    Le meilleur traitement est chirurgical par un ophtalmologue ou si les lésions sont de petites tailles, elles peuvent être supprimé avec un laser par un dermatologue.

    Cependant les récidives sont fréquentes, environ 50%, ce qui nécessite des retraitements.

    Le problème majeur est le risque d’ectropion par rétraction de la peau après plusieurs traitements.

  • Ectropion

    L’ectropion correspond à un retournement du bord libre de la paupière vers l’extérieur (“éversion” de la paupière), entraînant une perte de contact entre œil et la paupière.

    Les causes peuvent être diverses :

    Ectropion involutif : apparaissant suite aux modifications des tissus (laxité progressive) liées à l’âge.

    Ectropion paralytique : secondaire à une paralysie faciale, lié à certaines myopathies,…

    Entropion cicatriciel : suite à des brûlures, ou à certaines maladies (trachome,…)

    Le traitement de l’ectropion est chirurgical et consiste en un repositionnement correct des tissus palpébraux.